Buigtrilling

Een trilling waarbij het vlak midden door de wanddikte noch rekt noch krimpt, bijvoorbeeld bij een staaf waarvan, indien aangeslagen in het midden en derhalve een transversale trilling uitvoert, beurtelings de bovenkant krimpt en de onderkant rekt v.v. Halverwege ligt het middenvlak waarop tijdens het trillen de afstand tussen twee willekeurige punten ongewijzigd blijft. Het tegenovergestelde van een buigtrilling is een rektrilling.