Klok zonder naam
| ||
|---|---|---|
| Gieter | Anoniem | |
| Gietjaar | 1339 | |
| Locatie | Gemonde - R.K.Kerk H. Lambertus. (Twijnmeer 2). | |
| Diameter | 81.0 cm. | |
| Gewicht | 420.0 kg. | |
| Oorlog Registratienr. | 6-M-13 | |
Klank
| Slagtoon | b1 |
|---|---|
| grondtoon | |
| priem | |
| terts | |
| kwint | |
| oktaaf | |
| deciem | |
| 1ste undeciem | |
| 2de undeciem | |
| duodeciem | |
| dubbel oktaaf |
Klankanalyse:
Omschrijving
De Mariaklok diende lange tijd als luidklok en slagklok bij het uurwerk. Op de schouder, boven en onder de letterrand en op de faussure zijn steeds twee sierringen aangebracht; op de slagring staan er drie. Er is verder geen specifieke decoratie op de flank.
De letters zijn waarschijnlijk met de hand gevormd. Het doen aan unciale minuskelvormen denken. Zij zijn smal en langgerekt en staan een beetje scheef. Als woordscheiding is een kruis geplaatst met flauw ingesneden armen. Boven de letter M van het jaartal staat een kruisje op de schouder. Het jaartal wordt vaak als 1339 gelezen.
In 1925 zag Getulius Arts dat de klok een halve slag was gedraaid, vanwege een diep uitgesleten plek, waar eerder de hamer viel. Lehr onderzocht de klok in 1962 en maakt ook melding van een zeer sterk afgesleten plek als gevolg van de uurhamer. Lehr noemt verder de klank goed, maar de stemming hopeloos. Hij schrijft in zijn rapport over de vorm: 'Op het eerste gezicht doen de sierringen vermoeden dat ze mét sjablone zijn gevormd. Alhoewel die mogelijkheid geenszins uitgesloten kan worden, moet wél gesteld worden dat ze niet díe strakheid bezitten die de ringen op latere klokken hebben. Bovendien zijn de ringen van deze klok scherper aangezet op de klok'.
Kroon
De kroonarmen zijn glad met schuin gesneden zijkanten.
Kop
Schouder
Flank
Lip
Opschriften
+ + + yc + heit + m a r y a + m + ccc + Ixxxx
'Ik heet Maria 1390'
(hoogte letterrand: 40 mm?; hoogte letters: 30 mm)
Bijzonderheden
Als de klok met sjablone zou zijn gevormd en het jaartal goed is weergegeven, is zij één van de vroegste klokken in het hertogdom die op deze wijze is vervaardigd. Maar... het jaartal 1339 zou als MCCC XXXIX geschreven moeten zijn. Er staat echter M CCC IXXXX; wellicht dat de Romeinse cijfers dus gelezen dienen te worden als 1390, waarbij de eerste stok na de honderdtallen dan staat voor de L van 50. Met het jaartal vijftig in Romeinse cijfers zijn door gieters vaker vergissingen gemaakt.
Op de lage kerkheuvel Den Hoogert genaamd, zijn bij opgravingen in 1950 sporen van enige houten en stenen kerken gevonden, die mogelijk teruggaan tot de Merovingische periode. In de veertiende of vijftiende eeuw is de kerk aan de noordzijde vergroot en het romaanse koor afgebroken voor de bouw van een nieuw gotisch koor. De romaanse toren bleef behouden. In een priestergraf ten westen van de toren werd een kleine lunula gevonden en een Jacobsschelp (type Pecten Maximus L) met twee gaatjes in de spits.
'Even als elders werd te Gemonde tijdens de kerkbouw in het schip een klok gegoten. Ook hier werden de resten van een klokkegieterij aangetroffen in de vorm van stukjes brons, houtskool, leem, een diep brandgat en enige baksteenresten van de klokkevorm'. Deze klokkenoven werd in het schip van de gotische kerk aangetroffen. Bij de beschrijving van een ouder kerkje schreef Glazema: 'Een middenrij van palen ontbreekt, al weten we dit toch niet geheel zeker, omdat de gotische klokkegieterij met het vrij diepgaande brandgat in het schip één en ander vernietigd kan hebben'.
Tijdens de gotische uitbreiding van de kerk is een klokkenoven gebouwd, mogelijk om de Mariaklok te gieten. Een gietjaar vóór 1390 kan dan vrijwel worden uitgesloten. Er is echter in de kerk van Gemonde ook een Lambertusklok geweest die in 1507 door de gebroeders Willem en Jaspar Moer werd gegoten. Zij is in de Tweede Wereldoorlog gevorderd en ging verloren. Het is niet onwaarschijnlijk dat de klokkenoven voor deze klok is gebouwd.
Gemonde was in de Middeleeuwen geen zelfstandig dorp, maar hoorde bij de gemalen van Boxtel, Schijndel, Sint-Michielsgestel en Sint-Oedenrode. Het kapittel van Boxtel had sinds 1493 het benoemingsrecht van de kerk; wie het daarvoor bezat, is niet geheel duidelijk. Na de vrede van Munster is de kerk vervallen geraakt en uiteindelijk in 1830 afgebroken.
Bronnen
- Database RCE Amersfoort
- Archief Museum Klok & Peel
- Arts & Donders, 'Onze Kerkklokken'. In: Het Noordbrabantsch Dagblad Het Huisgezin, 75 artikelen over klokken in het bisdom Den Bosch verschenen tussen 18 juli 1925 en 26 januari 1929, deel XVIII.
- HJ van Nieuwenhoven, Klokkenvordering 1942-1943, Zeist 1996, p. 507.
- Elly van Loon-van de Moosdijk, Goet ende wael gheraect. Versieringsmotieven op luid- en speelklokken in Middeleeuwen en Renaissance in het hertogdom Brabant (1300-1559), Nijmegen 2004, p.346-347.
